Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

3 uur huishoudelijke hulp is niet algemeen gebruikelijk.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/304

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2015

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. K. Wevers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland te Didam, verweerder,(gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor verlenging van zijn indicatie voor hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit I bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 23 februari 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder het primaire besluit I herzien en de afwijzing van verzoekers aanvraag onder gewijzigde motivatie gehandhaafd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2015. De gemachtigde van verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde H. Voerman, bijgestaan door mr. M.F. van der Mersch.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Ter zitting is aannemelijk geworden dat verzoekers huis sinds 1 januari 2015 niet meer wordt schoongemaakt en dat verzoeker dit ook zelf niet kan. Voorts is niet gebleken dat verzoeker met eigen (financiële) middelen en/of via zijn netwerk op korte termijn zelf een tijdelijke oplossing kan bewerkstelligen. Verzoeker heeft dan ook genoegzaam aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

2. Bij besluit van 5 augustus 2014 heeft verweerder verzoeker op grond van de Wmo (oud), voor de periode van 18 juni 2014 tot en met 27 juli 2014, geïndiceerd voor huishoudelijke hulp voor 1 uur en 30 minuten en (als gevolg van toename van medische klachten) voor de periode van 28 juli 2014 tot en met 31 december 2014 geïndiceerd voor 2 uur en 30 minuten.

Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker door aantoonbare beperkingen een probleem heeft met zware huishoudelijke werkzaamheden, gedeeltelijk lichte huishoudelijke werkzaamheden en gedeeltelijk de verzorging van zijn was. Voorts is uit dit onderzoek gebleken dat naast het overnemen van de huishoudelijke taken tevens overname van de regie over het huishouden noodzakelijk is.

3. Bij brief van 1 oktober 2014 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat de gemeente per 1 januari 2015 de voorziening ‘Hulp bij het Huishouden’ in principe niet meer regelt en betaalt. Dit betekent dat het de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker is om zijn woning schoon te houden. verweerder heeft verzoeker voorts laten weten dat hij vanaf 1 januari 2015 geen ‘Hulp bij het huishouden’ meer zal ontvangen.

Verzoeker heeft bij brief van 4 november 2014 bezwaar gemaakt tegen deze mededeling en heeft daarbij onder meer gesteld dat hij geen familie of kennissen in de buurt heeft die hem zouden kunnen ondersteunen. Zonder hulp kan verzoeker zijn huishouden niet gestructureerd regelen, aldus verzoeker.

Verweerder heeft dit bezwaar tevens aangemerkt als een aanvraag voor verlenging van de indicatie voor hulp bij het huishouden. Naar aanleiding hiervan heeft verweerders consulent verzoeker op 12 december 2014 telefonisch gesproken.

4. Bij het primaire besluit I heeft verweerder de behoefte van verzoeker voor huishoudelijke hulp vastgesteld op 2 uur en 30 minuten per week en de afwijzing van zijn aanvraag gemotiveerd met de overweging dat voor de eerste 3 uur huishoudelijke hulp per week een oplossing vanuit verzoekers netwerk voorliggend is.

Bij het primaire besluit II heeft verweerder de motivering van het hiervoor genoemde besluit in zoverre herzien dat de eerste 3 uur hulp bij het huishouden per week algemeen gebruikelijk is.

Verweerder heeft de primaire besluit I en II gegrond op artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (hierna: de Verordening).

5. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder

een algemeen gebruikelijke voorziening, een voorziening verstaan die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten.

In artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening is bepaald dat geen maatwetvoorziening wordt verstrekt indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is.

In de Toelichting op deze artikelen van de Verordening wordt aangegeven: ‘(…) Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:

- Is de voorziening gewoon te koop?

- Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen

gebruikelijk worden geacht?

- Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?(…).’

6. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het primaire besluit II, gelet op het bepaalde in artikelen 6:19, eerste lid en 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling van onderhavig verzoek wordt betrokken en dat verzoekers belang ten aanzien van de beoordeling van het primaire besluit I is komen te vervallen.

7. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder op grond van artikel 3.3 van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Montferland 2015 (hierna: de Beleidsregels) de eerste 3 uur huishoudelijke hulp per week als algemeen gebruikelijk heeft aangemerkt.

8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet bij de beoordeling van de vraag of de voorziening algemeen gebruikelijk is, worden bezien of de voorziening ook voor verzoeker algemeen gebruikelijk is en zijn verzoekers individuele omstandigheden derhalve van belang.

Daarbij heeft de voorzieningenrechter ten eerste de hiervoor omschreven definitie in de Verordening van het begrip “algemeen gebruikelijk” in aanmerking genomen. Voorts vloeit uit artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening voort dat bij de beoordeling gekeken moet worden naar de specifieke situatie van de cliënt en wat voor hem gebruikelijk is. Deze beoordeling sluit overigens ook volledig aan bij verweerders Beleidsplan WMO 2014 - 2016 waarin vermeld staat dat huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening kan worden getroffen.

Voorts blijkt uit de hiervoor vermelde toelichting dat van belang is dat wordt aangesloten bij bestaande jurisprudentie met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijk, waarbij eveneens steeds in het individuele geval en met in achtneming van de omstandigheden van de persoon van de aanvrager beoordeeld dient te worden of de voorziening algemeen gebruikelijk is voor hem.

Uit dit samenstel van regels blijkt dat, alvorens tot het oordeel te komen dat een voorziening algemeen gebruikelijk is, steeds een op de persoon toegespitst onderzoek moet plaatsvinden.

Verweerder heeft bij het onderzoek weliswaar de vraag betrokken of er met betrekking tot verzoeker sprake was van een schrijnend geval zoals vermeld in de beleidsregels, maar daarmee heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een onjuiste uitleg gegeven aan het begrip algemeen gebruikelijk. De vraag of de situatie van verzoeker al dan niet schrijnend is, heeft immers niets van doen met de door verweerder in zijn beleid gehanteerde definitie van algemeen gebruikelijk en de uitleg die daaraan in de door verweerder zelf vermelde jurisprudentie wordt gegeven.

9. Anders dan door verweerder ter zitting is betoogd, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat een op de persoon van verzoeker toegespitst onderzoek heeft plaatsgevonden.

Verzoeker heeft onbetwist gesteld dat er enkel een telefonisch gesprek heeft plaatsgevonden waarbij verweerder aan verzoeker eenvoudigweg heeft medegedeeld dat hem voor de eerste drie uur geen hulp kan worden toegekend. Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, kan verzoeker niet verweten worden dat hij niet heeft meegewerkt aan nader onderzoek, omdat verzoeker, gezien de hiervoor vermelde mededeling van verweerder, in de veronderstelling mocht verkeren dat een “keukentafelgesprek” geen toegevoegde waarde zou hebben. Dit alles klemt hier te meer nu verzoeker in februari 2015 voor de bekendmaking van het primaire besluit II, een melding voor spoedhulp als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 heeft gedaan in verband met een hem overkomen ongeval, welke door verweerder terstond bij e-mail bericht van 12 februari 2015 is afgewezen onder verwijzing naar het - naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet - verrichte eerdere individuele onderzoek. Hiermee wordt miskend dat een toets met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verzoeker noodzakelijk is.

Verweerder heeft eveneens niet onderzocht of verzoeker met algemeen beschikbaar schoonmaakwerk gecompenseerd is. Nu verzoeker zich op het standpunt heeft gesteld dat het ook om een stuk ondersteuning bij het doen van het huishouden gaat, had het op de weg van verweerder gelegen hierna een nader onderzoek in te stellen.

10. Het bovenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan het bepaalde in art 11, eerste lid, aanhef onder d van de Verordening door zonder meer te concluderen dat de eerste 3 uur algemeen gebruikelijk zijn. Dit heeft tot gevolg dat het primaire besluit II een deugdelijke grondslag ontbeert en het geen stand zal kunnen houden.

11. Daarenboven is de voorzieningenrechter er voorshands niet van overtuigd dat verweerders uitgangspunt dat de eerste 3 uur huishoudelijk hulp een algemeen gebruikelijke voorziening is, die aan het verstrekken hiervan in de weg staat, niet in strijd met de Wmo 2015 is.

Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie onder andere de uitspraak van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4276) moet het gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen in financiële zin ook passend zijn voor betrokkenen met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum. Verweerder heeft aangegeven dat huishoudelijke hulp ongeveer 15 euro per uur kost. Dat betekent dat door verweerder als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd, huishoudelijke hulp ten bedrage van 45 euro per week. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet gezegd worden dat een voorziening met een dergelijke periodieke kostenbegroting, gelet op de beperkte bestedingsruimte van sociale minima, voor hen passend is. Dit is dan ook anders dan bij een boodschappendienst of een maaltijdservice waar het in de regel om geringe bijkomende bedragen gaat en niet om substantieel additionele kosten als in onderhavig geval. De vergelijking van verweerder ter zake van de jurisprudentie hieromtrent, gaat in dit geval dan ook niet op.

12. Voor zover in verweerders Beleidsregels vermeld staat dat schoonmaakwerk in het geheel niet meer wordt versterkt op grond van de Wmo 2015 (zie artikel 3.3. van de Beleidsregels ) kan de voorzieningenrechter dit standpunt voorshands evenmin volgen. Immers, het schoonmaken van de woning moet als een algemene dagelijkse levensverrichting (ADL) worden gezien. Bij gebreke aan een schoon huis bestaat er een risico op vervuiling en aantasting van de gezondheid. Als zodanig vormt een schoon huis een voorwaarde om te kunnen blijven functioneren in de eigen leefomgeving als bedoeld in artikel 2.3.5. derde lid, van de Wmo 2015. Dat brengt mee dat verzoeker die, zoals onbestreden is, niet zelf (de regie over) zijn huishouden kan voeren, niet zelfredzaam is (lees: ADL zelfstandig) als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015.

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit II is geschorst tot zes weken na verzending van het besluit op bezwaar en bepaalt dat verzoeker met onmiddellijke ingang de voorziening ontvangt in de vorm van huishoudelijke hulp voor 2 uur en 30 minuten per week.

14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

15. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter;

schorst het primaire besluit II tot zes weken na verzending van het besluit op bezwaar;

bepaalt dat verweerder aan verzoeker met onmiddellijke ingang de voorziening toekent van huishoudelijke hulp voor 2 uur en 30 minuten per week;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 980,-;

gelast dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht groot € 45,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van H. de Groot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2015.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature